Uncategorized

Faalangst

Afgelopen week deden de kinderen uit mijn klas auditie voor de musical. De kinderen schreven zich in voor de rol die zij graag willen hebben en auditeerdencreativiteit hiervoor. Dit bracht de nodige gezonde spanning met zich mee. Dat bracht mij op het idee om deze week de blogpost over ‘een specifieke hulpvraag’ te schrijven over faalangst.

Wat is faalangst?
Faalangst is een specifieke, taakgebonden vorm van angst. Het bestaat uit cognitieve, fysieke en gedragsmatige reacties op een situatie waarin prestatie geleverd moet worden en men zich beoordeel voelt. Het is een conflict tussen denken, voelen en doen. Op zich is ieder mens bang om te falen, maar dat is vaak een motiverende factor. Door die faalangst gaan mensen juist beter presteren. Dit wordt ook wel positieve faalangst of gezonde spanning genoemd. In dat geval activeert de gezonde spanning juist je prestaties. Als de spanning je irrationeel bang maakt voor mislukkelingen en het je eerder blokkeert dan motiveert wordt dat negatieve faalangst genoemd.
Bij het spreken over faalangst wordt meestal deze negatieve vorm bedoeld. door spannings- en angstgevoelens presteert het kind slechter. Het gaat dus om onderpresteren en situatiegebonden angst.

Het lichamelijke aspect van faalangst
Faalangst begint, net als andere angsten, in het hoofd. Het zenuwknooppunt in de hersenen (amygdala) zendt ee nsignaal uit naar de bijnieren die de hormonen adrenaline en noradrenaline aanmaken. Daardoor kan het lichaam met de spanning omgaan, met name om te vluchten, de natuurlijke reactie op angst. Bij faalangst wordt op de verkeerde momenten adrenaline aangemaakt: in situaties waarin je natuurlijke reactie om te vluchten niet mogelijk is. Je raakt dan geblokkeerd, wat zich kan uiten in gehaast en chaotisch worden, dichtslaan, hyperventileren en/of verminderde concentratie. Faalangst is geen persoonlijkheidskenmerk of karaktertrek. Het is het resultaat van een aantal aangeleerde (denk)stappen. De gedachten over zichzelf en de gedachte aan mislukken jagen de kinderen angst aan. De kans om te mislukken schatten ze heel hoog in en de kans om te slagen heel klein. Ze voelen zich bekeken, beoordeeld, zijn bang om af te gaan, om niet te voldoen en verwachten vaak negatieve reacties. Een groot deel van de angst is dus gebaseerd op het idee van negatieve reacties van anderen. Als het falen vaak voorkomt, het dat negatieve invloed op het zelfbeeld.
Faalangstige kinderen hebben de neiging een negatieve opmerking beter te registeren dan een positieve, omdat die negatieve opmerkingen passen bij hun negatieve zelfbeeld. Ze maken zichzelf verwijten over alles wat mislukt, terwijl ze datgene wat goed gaat juist niet aan zichzelf toeschrijven.

Drie soorten faalangst
Er zijn drie soorten faalangst, die in onderlinge samenhang kunnen voorkomen:
Sociale faalangst: faalangst voor sociale taken, bijv. in gezelschap iets moeten zeggen. Kinderen zijn bang om af te gaan voor hun klasgenoten.
Cognitieve faalangst: faalangst voor schoolse taken, bijv. proefwerken, een scriptie, waarbij kinderen bij voorbaat al inschatten dat ze iets niet voldoende kunnen maken.
Motorische faalangst: faalangst voor motorische/competitieve taken, bijv. gym. De angst blokkeert zo het handelen. Dit is een zichzelf versterkend proces, omdat je bij angst je spieren aanspant en dus niet meer je lichaam op een goede manier kunt gebruiken.

Kenmerken van faalangst
– Op cognitief gebied: de persoon heeft allerlei belemmerende gedachten over zichzelf. Al lang van te voren spelen negatieve gedachten door het hoofd en ze denken dat dit ook onafwendbaar is. Er is dikwijls een negatieve zelfbeoordeling, gebrek aan zelfacceptatie en zelfverwerping. Ze leggen de oorzaak buiten zichzelf wanneer ze een succes boeken. Complimenten kunnen ze niet verdragen en worden ook niet aangenomen. Adrenaline blokkeert het denken. Na de toets of test verdwijnt die adrenaline en kunnen ze weer helder nadenken. De angst voor de taak kan het denken volledig beheersen, zodat er nauwelijks ruimte is voor ontspanning.
– Lichamelijk zijn er veel reacties: zweten, rode kleur, veel naar het toilet moeten, hartkloppingen, maagklachten, darmklachten, hoofdpijn. Door de angstbeleving stijgt de adrenaline sterk, waardoor de persoon niet goed meer kan nadenken en een black-out kan krijgen. Daardoor ontstaan negatieve verwachtingen voor nieuwe situaties.
– Op gedragsmatige gebied zijn de volgende reacties waarneembaar: deze kinderen gaan chaotisch te werk, ze studeren te detaillistisch, steken naar verhouding te veel tijd in een opdracht, onderbreken hun werk steeds en dwalen af.
– Het kind is overgevoelig voor kritiek en betrekt deze kritiek op zichzelf. Hierdoor ontwikkelt een negatief zelfbeeld.
– Het kind heeft neiging tot perfectionisme; hij/zij is nooit tevreden over zijn/haar eigen prestatie.
– Het kind geeft duidelijk blijk van frustratie, zowel verbaal als non-verbaal.
– Het kind gaat situaties waarin een prestatie wordt gevraagd uit de weg en kiezen voor het zekeren en vermijden het nieuwe, het onzekere.
– Het kind stelt werkzaamheden uit.
– Er is onzekerheid bij het uitvoeren van taken (veel vragen stellen).
– Er wordt gepresteerd onder het verwachte niveau.

Het is niet altijd gemakkelijk faalangst goed te herkennen, omdat kinderen vaak het tegenovergestelde gedrag laten zien: stoer, clownesk, lastig.

Omgaan met faalangst
Zorg voor een veilig pedagogisch klimaat op school, in de klas en thuis
– Maak duidelijk wat je wel en niet van een kind verwacht, schrijf dit eventueel op of laat dit opschrijven.
– Geef vooral positieve feedback, negatieve opmerkingen versterken het beeld dat het kind van zichzelf heeft.
– Geef het kind voldoende tijd voor het voorbereiden en maken van toetsen en opdrachten.
– Voor ernstig faalangstige kinderen kan een faalangstreductietraining wenselijk zijn (deze worden soms ook op school gegeven).
– Help het kind bij hoe je moet leren; leren leren.
– Laat het kind merken dat deze gewaardeerd wordt als persoon en niet vanwege de schoolprestaties.
– Maak als leerkracht afspraken met de ouders over de begeleiding van de leerling, maar ga als ouder ook zelf naar de leerkracht toe om te praten en afspraken te maken. Jullie willen immers allemaal het beste voor het kind.

Natuurlijk is er genoeg geschreven over faalangst. Mijn bedoeling met deze blogpost is om je op een begrijpbare manier te informeren. Ik hoop dat je er wat aan hebt gehad. Heb je nog vragen? Laat ze achter bij de reacties.

Bronnen:
Master Special Educational Needs
van Lieshout (2009) – Pedagogische adviezen voor speciale kinderen
Nauta & Giesing (2012) – Leerlingen met een specifieke hulpvraag

Dit vind je misschien ook leuk

Laat een reactie achter

0 reacties